“Hoe genoeg`lijk rolt het leven des gerusten landmans heen, “ schreef de Nederlandse dichter Kloos in 1722. Het is de beginregel van een lang gedicht met de titel “Akkerleven”, waarin hij de werkzaamheden van een boer gedurende de vier seizoenen bezingt.

We zien hier een plattelands idylle voor ons, toen er geen asfaltwegen waren, geen landbouwmachines en geen ronkende tractoren. Maar wel een tevreden, hardwerkende boer, een bonkig type uiteraard, dromerige koeien, ossen voor de ploeg en een toegewijde vrouw , Elsje, in een grof linnen jak, liefst met ontblote schouder, die haar vent tussen de middag in slaap zingt. Je ziet hem liggen tegen de hooiopper, pet over de ogen, handen gevouwen over de net gevulde buik. Romantischer kun je het niet verzinnen!

Wel jammer dat er in het gedicht staat dat Elsje zelf hartgrondig begint te gapen, na het

liedje, maar daar kunnen we begrip voor op brengen: geen wonder na al dat schrobben, schuren, boenen en zes kinderen groot brengen!

Vincent van Gogh zou er bijna twee eeuwen later prachtige tekeningen van maken, van zo`n hardwerkend stel.

De observaties van een zich tot de elite van Delft opgewerkte “Brooddichter”,

zijn toch die van een buitenstaander, die het werken op het land ophemelt.

Je ziet hem, Kloos, al kuieren in een geklede jas, pruik op, witte kousen onder de strakke kuitbroek, rottinkje in de hand …. Ja, ja.

 

Die rottinkjes hebben wij ook op de moestuin, een beetje groot uitgevallen weliswaar, en daarom noemen we ze bonenstaken. Daar groeien boontjes tegen, als het goed is.

En waarom zou het niet goed zijn, hoor ik u vragen.

Nou…. Er nestelen een zwerm houtduiven in de bomen rondom het volkstuinencomplex, die gek zijn op jonge plantjes, vooral op kool , peultjes, kapucijners en ontkiemende boontjes.

Ze komen zich lekker volvreten zo tussen 17 en 9 uur, schat ik.

Daar moet wat aan gedaan worden, vinden wij als moestuiniers. Dus worden er allerlei constructies van gaas, palen en netten opgericht. De laatste trend is dat die kooien zo groot zijn dat de moestuinier er royaal in kan rondstappen , tussen de bedden aardbeien, kool en doperwten.

Het is de omgekeerde wereld: de mens sluit zich op :”Koest…. In je hok!”, hoor je de duiven koeren en alleen de vogels vliegen van oost naar west, of een andere windrichting, omdat ze nu eens in het oosten, dan weer in het westen willen zijn…

Over de konijnen, de koolwitjes, de muizen, de miertjes en de piertjes wil ik het niet eens hebben!

Eigenlijk is tuinieren één grote “Hoe red ik m`n groente van het ongedierte” gevecht.

 

Is het dan alleen maar (kom)kommer en kwel? Zitten we dagelijks in de (tomaten) puree? Of in de (peulen)penarie?

 

Nee hoor, de pieper,prei, ui, peen een kroot gaan goed, vooral als je ze uitspreekt als Jacobse en van Es, op z`n Haags dus, dan wordt het gelijk volksvoedsel nr. 1.

Dat geeft voldoening en een vleugje geluk. Hebben we toch nog iets gemeen met die romantische Kloos!

 

Maar hoe deden ze dat toch in zijn tijd met die houtduiven? Ik weet het al. Die knalden ze uit de lucht waarna ze vanzelf als gebraden duif in de mond bij de rijken vlogen. Die hadden daar mannetjes voor, voor dat knallen.

Bij de boeren aten ze omelet, van de uitgehaalde nesten van de houtduif.

Daar hadden ze zoontjes voor, voor dat uithalen.

 

Mayella Geskus