Gereformeerde Kerk Putten

Een open, gastvrije en veelkleurige geloofsgemeenschap, met de Bijbel als bron en norm voor geloof en leven

De nieuwe kerkorde

Deze keer gaat het over leren en het opzicht (artikel 11 en 12). maar waarom staan deze artikelen juist hier? Daarvoor moeten we eerst terugbladeren in de Kerkorde.

deel 7 De lerende gemeente en het opzicht

We hebben gezien dat de kern van de gemeente ligt bij het horen van het Woord en het vieren van de sacramenten (artikel 7, 8 en 9). Daar klopt het hart van de gemeente. Vervolgens zagen we dat de gemeente vanuit Woord en sacrament geroepen is tot missionaire getuigenis, diaconale dienst en pastoraal omzien naar elkaar( artikel 10). Nu gaat het in de artikelen 11 en 12 om het verband tussen de kern van de gemeente en haar taken. Anders gezegd, hoe komen we vanuit de gehoorzaamheid aan het Woord tot onze missionaire, diaconale en pastorale dienst?
De Kerkorde tekent twee verbindingen: een innerlijk verband tussen Woord en dienst en er uiterlijk verband tussen dienst en Woord. De eerste samenhang lezen we in artikel 11. Daar staat: "De gemeente is geroepen blijvend een lerende gemeenschap te zijn" (art. 11.1) Dat leren is voor de Kerkorde niet alleen een zaak van hoofd, maar ook van hart en handen. Zo kunnen we opmaken uit art 11.2 "De vorming en toerusting van haar leden krijgt gestalte in onderricht en bezinning, in meditatie en gebed, in beraad en daadwerkelijke inzet." Leren in de gemeente is een zaak van de hele persoon. Leren bestaat uit gesprek én gebed, uit beraad én inzet. Door te blijven leren kunnen we met elkaar steeds opnieuw de actualiteit van het Woord ontdekken.
Artikel 11 zegt dus eigenlijk niets anders dan dat we voorduren leerling van de Heer blijven. Speciale nadruk legt artikel 11 dan op het onderricht aan de jeugd en jongeren; maar wat over hen geschreven staat geldt ten diepste voor ons allen. de gemeente leert voortdurend.
Artikel 12 gaat vervolgens over het uiterlijk verband tussen dienst en Woord, namelijk over het opzicht. Het is goed om te bedenken dat zonder innerlijke betrokkenheid het uiterlijk opzicht - of tucht zoals het in kerkelijk spraakgebruik genoemd wordt - geen zin heeft. Wie niet wil leren, kan niet gedwongen worden.
Maar wie bereid om te luisteren, zal ook de bereidheid opbrengen een regel af te spreken. Bijvoorbeeld dat we elkaar de les niet zullen lezen. "In de gemeente zijn de leden geroepen pastoraal en liefdevol naar elkaar om te zien en elkaar op te bouwen, in geloof, hoop en liefde." (art. 12.2)
Opzicht wil mijns inziens zeggen dat we ernst maken met het leren. En het voortdurend leren bewaart ons ervoor dat de ernst ons verstikt. Ze hebben elkaar wel nodig het innerlijk en uiterlijk verband. Misschien wel zoals in een huwelijk, waar de wet de regel stelt voor onze trouw, en de liefde ons bij elkaar houdt
ds. Evert van Leersum