Gereformeerde Kerk Putten

Een open, gastvrije en veelkleurige geloofsgemeenschap, met de Bijbel als bron en norm voor geloof en leven

Orgel van de Gereformeerde Kerk te Putten

Het orgel in de Gereformeerde kerk aan de Achterstraat is oorspronkelijk in 1963 voor dit kerkgebouw gebouwd door de firma J. de Koff & Zn te Utrecht.

Het orgel is een voorbeeld van de orgelbouw uit de periode van de Wederopbouw na de tweede Wereldoorlog en heeft alle stijlkenmerken die zo typerend zijn voor orgels uit deze periode: mechanische tractuur, moderne vormgeving, werkenprincipe, boventoonrijke klank en starre windvoorziening.

In 1982 vond er een beperkte aanpassing en uitbreiding plaats door de firma Flentrop te Zaandam. De uitbreiding bestond uit de plaatsing van een Fluit 4 voet op het hoofdwerk en een Nasard 3 voet op het rugwerk. De aanpassingen bestonden uit verplaatsing van Octaaf 2 voet van rugwerk naar hoofdwerk en Gemshoorn 2 voet van hoofdwerk naar rugwerk.

In 2011 heeft een uitgebreide restauratie en onderhoudsbeurt plaatsgevonden, uitgevoerd door Orgelmakerij Reil B.V. te Heerde.

 

Het orgel telt 16 stemmen, verdeeld over Hoofdwerk, Rugwerk en vrij Pedaal.

Dispositie

Hoofdwerk

 

Rugwerk

 

Pedaal

 

Prestant

8 voet

Holpijp

8 voet

Subbas

16 voet

Roerfluit

8 voet

Prestant

4 voet

Baarpijp

8 voet

Octaaf

4 voet

Dulciaan

8 voet

 

 

Octaaf

2 voet

Quintadeen

4 voet

Koppelingen

 

Fluit

4 voet

Gemshoorn

2 voet

 

HW + RW

Trompet

8 voet

Nasard

3 voet

 

HW + P

Mixtuur

3 sterk

Scherp

3 sterk

 

RW + P

 

Omvang                                                                                          

Hoofdwerk

54 tonen

7 stemmen

486 pijpen

C – f3

Rugwerk

54 tonen

7 stemmen

486 pijpen

C – f3

Pedaal

30 tonen

2 stemmen

60 pijpen

C – f1

Totaal

 

16 stemmen

1032 pijpen

 

 

Indeling naar registerfamilies

Hoofdwerk

 

Rugwerk

 

Pedaal

 

Prestanten

 

 

 

 

 

Prestant

8 voet

Prestant

4 voet

 

 

Octaaf

4 voet

 

 

 

 

Octaaf

2 voet

 

 

 

 

Vulstemmen

 

 

 

 

 

Mixtuur

3 sterk

Scherp

3 sterk

 

 

Fluiten

 

 

 

 

 

Roerfluit

8 voet

Holpijp

8 voet

Subbas

16 voet

Fluit

4 voet

Quintadeen

4 voet

Baarpijp

8 voet

 

 

Gemshoorn

2 voet

 

 

 

 

Nasard

3 voet

 

 

Tongwerken

 

 

 

 

 

Trompet

8 voet 

Dulciaan

8 voet

 

 

 

 

 

Karakteristiek van registers

Prestant. Voornaamste (tinnen) labiaalstem met open, cilindrische pijpen, staat voor op de windlade en is meestal ten dele in het orgelfront verwerkt. De toon is helder en rond.

Octaaf. Labiaalstem. Octaaf van een lagere prestant.

Mixtuur. Meerkorige, repeterende vulstem. Per toets meerdere tonen in verschillende intervallen (octaven en quinten). Boventoonrijk.

Scherp. Zie mixtuur.

Roerfluit. Halfgedekte labiaalstem van helder karakter. De in de hoed aangebrachte buis (het roer) bevordert de helderheid d.m.v. zekere boventonen.

Holpijp. Gedekte labiaalstem met holle, zangerige klank. Zowel van hout als van metaal.

Quintadeen. Enge gedekte labiaalstem, waarbij de quint als boventoon duidelijk waarneembaar is.

Gemshoorn. Zachte, hoornachtige fluitstem met conische pijpen.

Nasard. Zachte fluitstem met enigszins versluierde toon.

Dulciaan. Tongwerk met een koel , snaterend karakter.

Trompet. Tongwerk met krachtige schetterende trompetklank.

Subbas. Gedekte pedaalstem. Meestal van hout. Bromklank.

Baarpijp. Open, conische labiaalstem welke door timbre en volume goed als onderliggende basisstem kan fungeren.