Gereformeerde Kerk Putten

Een open, gastvrije en veelkleurige geloofsgemeenschap, met de Bijbel als bron en norm voor geloof en leven

Sectieouderling: wat betekent die functie

In het afgelopen jaar heb ik, in mijn functie van ouderling Toerusting, een aantal gesprekken gevoerd met ouderlingen die na afloop van vier jaar hun taak hadden beëindigd. Daarnaast heb ik gesproken met een aantal ouderlingen na afloop van hun eerste jaar in functie. Het waren heel waardevolle gesprekken, waarin mensen heel open vertelden over hun ervaringen.

Ik heb alle gespreksverslagen samengevoegd tot één verslag. Dat verslag is besproken in het Pastoraal Overleg van februari 2012. Het Pastoraal Overleg is van mening dat het verslag een goede indruk geeft hoe mensen het ambt van ouderling ervaren.

Voor het komende seizoen is de Kerkenraad op zoek naar vier nieuwe ouderlingen,

Samen met de huidige ouderlingen zullen zij de nieuwe pastorale structuur vorm en inhoud moeten geven. Een uitdaging en een boeiende nieuwe taak. Zij zullen daarbij ondersteund worden door de Werkgroep Pastoraat, waarin naast de ouderlingen Toerusting de predikanten en de voorzitters van de Kerkenraad zitting hebben.

Mensen die voor het eerst worden benaderd hebben soms onvoldoende inzicht in wat de functie van ouderling inhoudt.

Om die reden heeft het Pastoraal Overleg besloten het verslag in twee delen in Samenspel te plaatsen. Uit het verslag kunnen enkele conclusies worden getrokken.

Een belangrijke conclusie is wel, dat de functie weliswaar tijd en energie kost, maar dat het werken in dienst van God en van onze kerkelijke gemeente ook veel oplevert.

In deze Samenspel het eerste deel. Volgende keer het tweede deel.

Uiteraard hoop ik dat deze artikelen er aan bijdragen, dat de Kerkenraad vier mensen bereid vindt om met ingang van het komende seizoen het ambt van ouderling te aanvaarden.

 

Namens het Pastoraal Overleg, Bert de Weerd

 

Sectieouderling

Wat betekent die taak in de praktijk? Wat verwachten de sectieleden van mij?

In dit stuk een samenvatting van ervaringen van ambtsdragers.

 

Inleiding

Je overweegt sectieouderling te worden. Misschien ben je het pas geworden. Natuurlijk heb je een indruk van wat het ambt inhoudt, maar je wilt er graag wat meer van weten. Hoe geef je inhoud aan die taak? Wat moet? Wat kan?  En… wat moet/hoeft er niet?

Veel mensen zijn jullie al voorgegaan. Hun ervaringen kunnen jullie helpen bij de uitoefening van jullie functie. Onze gemeente heeft in het Mission Statement (zeg maar het visiedocument van de kerk) als belangrijke opdracht geformuleerd, dat: We willen omzien naar elkaar. Het sectieteam, met als coördinator de sectieouderling, vervult daarbij een belangrijke rol. Vraag is: hoe doe je dat? Zijn daar regels voor?

Het antwoord is: neen, die zijn er niet. Dit document vertelt jullie daarom niet hoe het móet, maar hoe het kán. De manier van invullen van de functie is namelijk sterk persoonsafhankelijk. Je weet in grote lijnen wat er van je verwacht wordt (de taakomschrijving ouderling geeft daarover informatie) maar hóe je dat doet, dat bepaal je zelf. Iedere sectieouderling vervult zijn/haar taak op zijn eigen persoonlijke manier.

Om jullie toch een indruk te geven van hoe het kan, hebben we ex-ambtsdragers niet alleen gevraagd hoe zij hun taak verricht hebben, maar ook hoe zij achteraf tegen die taak aankeken. Natuurlijk kregen we verschillende antwoorden. Maar, voor iedereen die we hebben gesproken geldt: mensen vonden het een boeiende, leerzame en inspirerende tijd, soms met moeilijke momenten, maar vaak met bijzondere menselijke contacten.

We willen jullie met dit document handvatten geven voor de uitoefening van jullie functie en we wensen jullie toe dat ook jullie achteraf zeggen: het was een boeiende, leerzame en inspirerende periode.

 

Afgetreden ouderlingen aan het Woord.

Een overzicht van, vaak heel persoonlijke, ervaringen

Mijn reden om de functie van ouderling –coördinator (sectieouderling) te vervullen was de oprechte overtuiging dat in het kerkelijk werk het pastoraat een belangrijke rol speelt, dat ieder zijn steentje moet bijdragen en dat ik, na een gesprek met de predikant, me daar ook toe geroepen voelde. Een beetje idealisme en bevlogenheid heb je wel nodig om dit te doen. Ik voelde dat 4 jaar geleden zo aan en heb toen heel bewust ‘ ja’  gezegd.

Ik vond wel belangrijk dat ook mijn partner “ja” tegen mij zei over deze functie. Je kunt dit werk niet goed doen, als het thuisfront er niet achter staat.

Achteraf heb ik nagedacht over de vraag: wat heeft deze ambtsperiode met mijn  persoonlijke geloof gedaan? Ik heb daar nu het volgende antwoord op.

In die vier jaar is er wel wat met mij gebeurd.. Ik durf nu best te zeggen: had best mijn  twijfels. Kan ik dit allemaal wel? Weet ik het zelf allemaal wel? Wie ben ik dat ik deze taak aanvaard?  Ik bezocht ook voorheen de kerkdiensten geregeld,  maar in deze periode zat ik toch ‘anders’ in de kerk, beleefde ik de preek anders. Ik ben me er bewust van geworden dat je twijfel mág hebben, dat je het niet perfect hoeft te doen, dat je door God aanvaard wordt zoals je bent, dat je om steun mag vragen, dat je mag zeggen dat je het allemaal even niet meer weet, dat ook andere mensen het niet altijd direct precies weten.

Ik heb de periode als zeer waardevol ervaren, zeker na het eerste jaar, een jaar waarin je echt je weg moet zoeken in de sectie zelf, maar waarin je ook jezelf moet profileren, ook al heb je de nodige ervaring in het kerkelijk werk.

Toerusting aan het begin van de ambtsperiode is heel belangrijk. Achteraf had ik daar beslist wat vaker advies over moeten vragen. Toen ik begon had ik veel vragen. Ik heb zelf de antwoorden gevonden. Beter was echter geweest ondersteuning te vragen: van andere sectieouderlingen, van toerustingsouderlingen, van predikanten. Dan was de start  makkelijker geweest en had ik meer ontspannen kunnen beginnen aan mijn nieuwe taak.

Pastoraat is niet niks en kan je soms behoorlijk bezighouden. Je moet het niet onderschatten, maar je kunt er ook heel veel waardevolle momenten aan beleven.

Ten diepste ben je dienend bezig. In dienst van de kerk en van God (een groot woord maar toch is het zo) wil je mensen bereiken, hen aanhoren, hen troosten of bemoedigen als dat nodig is. Je wilt en je moet er voor hen zijn. Dat is je opdracht!

De kerk en de mensen in de sectie hebben niets aan een ouderling die vooral zijn eigen mening staat te verkondigen. Probeer juist het verdriet of de blijdschap in te voelen van de ander die jou is toevertrouwd. Geef die mensen de gelegenheid om hun verhaal te vertellen en luister maar! Mensen vertrouwen jou als ouderling soms heel bijzondere dingen toe en die moet je goed opslaan!  In het gesprek kun je als weerwoord of bevestiging soms je eigen levenservaringen, een gedicht, een tekst of verhaal of zomaar een gedachte gebruiken om het gesprek diepte te geven. Dat wordt ook van je verwacht! Je komt niet over koetjes en kalfjes praten, hoewel ik eerlijk gezegd ook wel vaak in die ‘wei’  bleef en uit de ontmoeting niet werkelijk plaats vond.

De Bijbel? Meestal had ik die wel bij me, maar ik gebruikte die lang niet altijd, tenminste niet geopend.

In veel gesprekken spraken we over de kerk, het Woord, het geloof, theologie etc.

Ik kwam immers niet op bezoek namens een sportclub. Mijn mening was echter: we kunnen/moeten dat niet dwingend opleggen. De ander had daarin een belangrijke, eigenlijk doorslaggevende, stem.

Een uitgesproken gebed? Soms voelde je gewoon aan dat samen bidden nodig was, juist omdat iets zo groot was dat je er in het gesprek niet uitkwam. Daarom bad ik/baden we  God om  kracht of om een oplossing.

Een kort praatje, zomaar op straat, bij de supermarkt, in de hal van de kerk: het is ook prima! En oogcontact, een handdruk of een klop op de schouder zijn van die kleine, maar o zo belangrijke zaken!

De verjaardag of geboorte van een (klein)kind zijn ook belangrijke aandachtpunten.

Vaak opende ik bij oudere mensen het gesprek aan de hand van de familiefoto’s die op het dressoir stonden. Wat je dan al hoorde in een paar minuten! Belangrijk vond ik ook om de grote lijnen van het gesprek in een verslagje vast te leggen. Wanneer mensen persoonlijke zaken aan mij hadden toevertrouwd dan vond ik het niet acceptabel dat ik mij die het volgende bezoek niet meer herinnerde. Dat maakt immers een erg ongeïnteresseerde indruk.

Ook zeker waar: met sommige mensen had ik als contactpersoon of als ouderling geen ‘klik’. Dan bleef de ontmoeting oppervlakkig. Dat was wel eens ontmoedigend en teleurstellend, maar achteraf denk ik dat het ook weer niet zo erg is. Een oplossing kan zijn: onderling ruilen. Een ander heeft soms wel toegang!

Een groot voordeel vond ik dat ik voorafgaand aan de ambtsperiode een jaar contactpersoon was geweest. Ik ervoer toen wat bezoekwerk inhoudt.

Mensen waren in het algemeen positief en zij waren soms verbaasd dat ik ze benaderde voor een bezoekje. Heel vaak hoorde ik de opmerking, dat anderen het veel meer nodig hadden. En toch dacht ik achteraf vaak: goed dat ik er toen geweest ben, ook al was er geen directe aanleiding.  Ik kwam eens bij een echtpaar dat in geen 20 jaar bezoek had gehad! Ze bezochten de kerk al lang niet meer, maar ze waren ook nooit ingegaan op een uitnodiging. Ze waren ook niet van plan terug te keren in de moederschoot van de kerk, maar stelden het bezoek zeker op prijs. Ik vind dan ook dat we de mensen geregeld  moeten laten weten dat we er als kerk voor hen zijn.

Niet altijd waren de reacties positief. In sommige secties woonden veel mensen die wel lid waren van de kerk, maar zij waren niet kerkelijk meelevend. Zij hadden geen behoefte  aan bezoek van de sectieouderling of contactpersoon. Dat was wel eens teleurstellend.

Ik wilde zo graag dat de kerk iets voor die mensen betekende. Tijdens vergaderingen van het Pastoraal overleg hoorde ik echter dat ook andere ambtsdragers die situaties kenden en dat zij er ook wel eens mee worstelden. In die vergaderingen hebben we geconstateerd dat we het standpunt van mensen moeten respecteren. Mensen hebben vaak  uiteenlopende redenen waarom ze (soms in een bepaalde periode) geen behoefte hebben aan dat contact. Of aan de kerk. Dat ligt dan dus niet aan de sectieouderling, maar het is een keuze van de mensen zelf.

Wel goed is die mensen te laten weten dat we er zijn. Onze deur (de deur van de kerk) staat altijd open. Soms zoeken wij (mensen) God niet, maar God zoekt ons (mensen) altijd. Goed is het contact te onderhouden, ook al bestaat dat soms uitsluitend uit het zenden van een kaartje bij een verjaardag, een jubileum of andere bijzondere gebeurtenissen.

Ik heb me vaak afgevraagd wat ik/de kerk kan/moet doen om meer mensen (waaronder jongeren) enthousiast te houden/krijgen voor de kerk. Moeten we ons steeds weer aanpassen bij de wensen van de mensen. Persoonlijk denk ik dat dat niet moet. We zijn kerk, we hebben een eigen identiteit en die moeten we niet verloochenen. Dat neemt niet weg dat we er over kunnen praten hoe we (binnen onze kaders) zaken kunnen aanpassen aan de veranderende behoeften. Dat is goed, dat is noodzakelijk, omdat de kerk immers midden in de snel veranderende maatschappij staat. Veranderen kan dus, maar wel binnen onze eigen grenzen, die we wel steeds weer opnieuw moeten vaststellen.

Eenmaal ouderling merkte ik het enorme belang van een goed sectieteam! Echte herders vind je daar! Mensen die nooit te moe zijn om een adres meerdere malen te bezoeken als dat nodig is. We vergaderden regelmatig op zondagochtend na de dienst (4-5 keer per jaar) bij ons of bij een ander thuis. We bespraken (aan de hand van een agenda die van tevoren was verstrekt en van een verslag van de vorige vergadering) de sectie en de activiteiten. Je leerde elkaar steeds beter kennen en besefte dat je elkaar hard nodig had. Ik heb de sfeer altijd als heel open en warm ervaren. De sectiepredikant zou hier af en toe bij moeten zijn om de sfeer in zo’n team te proeven en uiteraard om informatie te krijgen/geven. Een goed sectieteam is echter nooit een vanzelfsprekendheid. Ook voor contactpersonen geldt: hoe gemotiveerd zijn ze, hoeveel tijd hebben ze, hoe is de klik binnen het sectieteam. Soms kost een sectieteam bijna net zoveel energie als de sectie zelf.

Stel je doelen als ouderling niet te te hoog. Ik heb dat doel wel bij moeten stellen, ook gezien mijn beeld dat ik door mijn eigen opvoeding van een ‘ouderwetse’ ouderling had.  

De maatschappij verandert en de (verwachtingen en behoeften van de) mensen dus ook. Het huisbezoek oude stijl kennen we vaak niet meer!

We hoeven geen zendeling te zijn!

Ik heb ervaren: een goed contact in de sectie door middel van persoonlijke aandacht, door gezellig koffie drinken samen of door een fietstocht doet al heel veel goed. Als dat goed zit, is er vaak voor de sectieavond ook veel belangstelling.

Er ging best eens wat mis, hoe goed onze bedoelingen ook waren. We moeten echter gewoon bedenken: ons werk is mensenwerk. Het is goed dat we weten dat het altijd beter kan, omdat het werk nooit helemaal klaar is. Daar moest ik aan het begin best aan wennen. Ik vond dat ik ieder vrije uur bezig moest zijn met bezoekwerk. Maar dat is geen goede gedachte. Dat houd je geen vier jaar vol. En: hoe betrokken en enthousiast ik ook was, ook ik had wel eens geen tijd, geen zin of geen energie om weer op pad te gaan.

Die ruimte en rust moet je jezelf beslist gunnen. Immers: we hebben vaak ook andere zaken die onze aandacht vragen: ons gezin, ons werk, onze familie, onze vrienden en  noem maar op. Die contacten onderhouden is ook noodzakelijk. Ook die contacten gaven mij energie om mijn werk te kunnen doen.

Ik heb me afgevraagd of de huidige structuur van sectieenindeling en sectieteams nog wel bij deze tijd past. Mensen hebben vaak geen behoefte aan een bezoek, terwijl andere mensen naar hun idee te weinig bezoek krijgen. Dat betekent dat we de beperkte  menskracht, tijd en energie niet altijd daar inzetten waar dat nodig is. Daarnaast zijn er veel nieuwe vormen van pastoraat. Het is goed dat de kerk daar de komende tijd over na gaat denken. In een aantal secties (met weinig contactpersonen) moeten nu al prioriteiten gesteld worden. Er is geen ouderling of er zijn niet voldoende contactpersonen. Dat vraagt om een oplossing, omdat we nu geen invulling kunnen geven aan het Naar elkaar omzien.

Het Pastoraal Overleg was voor mij een platform voor ontmoeting en uitwisseling van ervaringen. Toch waren die ervaringen niet altijd gemeenschappelijk, omdat secties verschillend zijn en omdat bleek dat ieder toch zijn eigen persoonlijke aanpak had en dat is ook goed. We moeten onze aanpak aanpassen bij de situatie in de sectie en bij onze persoonlijke mogelijkheden.

Belangrijk vind ik wel dat we in het Pastoraal Overleg naar elkaar blijven omzien en dat we begrip en oog hebben voor de verschillende disciplines: de secties, de jeugd, de ouderen. We werken niet naast elkaar, maar met elkaar. We vullen elkaar aan en versterken elkaar. Kortom: 1+ 1 = 3.

Er is nu ook een ouderling voor oudere jongeren en voor ouderen. Het is belangrijk dat we goede afspraken met hen maken en dat we onze werkzaamheden goed op elkaar afstemmen. Ook goede afstemming met de predikant blijft belangrijk.

Putten, maart 2012