Op vele wijzen zijn plaatselijke kerken betrokken bij mensen die hier in Nederland in armoede leven. Zij geven financiële hulp, zijn betrokken bij voedselbanken, assisteren bij het zoeken naar werk, verwijzen en/of begeleiden mensen naar instanties, maken vakanties mogelijk, helpen bij het invullen van formulieren en zo is er nog meer te noemen.

We zullen ons daarbij echter moeten blijven afvragen: hoe komt het dat we die hulp en ondersteuning moeten geven en hoe kunnen we werken aan een oplossing zodat mensen geen beroep meer op ons hoeven te doen.

 

Natuurlijk: “Armen zullen er altijd zijn bij u” (Deuteronomium 15: 11). Zelfs bij de beste voorzieningen zullen er altijd mensen zijn die door wat voor omstandigheden dan ook tussen wal en schip raken, bijvoorbeeld door domme pech. Daarom is waakzaamheid geboden.

Maar als dit grote groepen mensen betreft met dezelfde achtergronden en voor lange tijd dan is er iets structureel mis en zullen we eraan moeten werken om daarin verandering te brengen.

 

Bestrijding van armoede een recht?

In Deuteronomium wordt ons als perspectief een gebod aangegeven: “Overigens zal niemand van u in armoede leven…….” (Deuteronomium 15: 4). Al die rechtsregels die we in het Oude Testament vinden en waar ook Jezus zich op beroept, hebben tot doel om armoede tegen te gaan door materiële nood en sociale uitsluiting te bestrijden.

In feite ligt de bestrijding van armoede dus in de sfeer van het recht en niet van de gunsten.

Hulpverlening zal daarom altijd in het kader moeten staan van recht verschaffen en het werken aan oplossingen om te voorkomen dat mensen gebrek lijden en in vernederende afhankelijkheid terecht komen.

 

Sociale zekerheid

De invoering van de sociale zekerheid had tot doel om een einde te maken aan de afhankelijkheid van armen van gunsten en het beëindigen van de bedeling van de armenzorg.

Sluitstuk hierbij was de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 waarbij aan een ieder die niet over de middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand moest worden verleend door de gemeenschap in de vorm van de overheid. Een omslag van gunst naar recht.

 

Doorwerking voor de kerkelijke praktijk

De sociale zekerheid en de rol van de overheid in deze heeft geleid tot een veranderde kerkelijke praktijk waarbij de diaconale zorg in plaats van financiële zorg veel meer een ondersteunende rol inhoudt, gepaard gaande met:

  • Bondgenootschappen met armen en hun organisaties (niet voor, maar met de mensen)
  • Het beroep op politiek en samenleving om in hun beleid vooral de positie van mensen die langdurig en soms blijvend op of onder het minimumloon zitten structureel te verbeteren.

Dit krijgt zijn vorm in:

  1. Het versterken van (groepen) armen in hun eigen kracht. Naast de eigen diaconale activiteiten worden interkerkelijk in Putten via het DPP (Diaconaal Platform Putten) de nodige activiteiten georganiseerd. B.v. een luisterend oor dan wel cursussen/ begeleiding voor werkzoekenden.
  2. Het stimuleren in kerk en samenleving van bewustwording en erkenning van armoede.
  3. Het signaleren en aankaarten van knelpunten bij lokale en regionale bestuurders en uitvoerders en
  4. Het aanspreken van de landelijke politiek op het armoede- en inkomensbeleid.

 

Maar ook:

  • Praktische hulp bij het verbeteren van de feitelijke leefsituatie van de armen door het samen zoeken naar structurele verbetering:
  • In acute noodgevallen, waarbij de sociale zekerheid te kort schiet, financiële hulp.

 

We zullen hulpverlening nooit als vanzelfsprekend mogen gaan zien.

Het feit dat het nodig is, moet ons pijn (blijven) doen en aanzetten tot een inzet voor structurele oplossingen.

 

André van der Nagel